|
Ik was twee jaar toen ik voor het eerst iets deed wat je niet mag doen. We woonden op één hoog, en m'n moeder had het raam van de zitkamer open gedaan en was daarna nog een verdieping hoger gegaan om de slaapkamers te luchten. Ik bleef alleen achter en liet meteen zien wat er in het diepst van mijn ziel leeft: avontuurzin, de wijde wereld in! Ik klom met wat voor een tweejarige welhaast buitengewone behendigheid geweest moet zijn op het raamkozijn en zal toch wel eerst een paar momenten van het uitzicht hebben genoten alvorens ik door het open raam naar buiten viel. Ik weet het niet zo goed meer, maar neem toch aan dat ik het niet met opzet deed. Eerst kwam m'n hoofd met een klap op het betonnen afdakje boven de voordeur en daarna vervolgde ik de reis naar de betonnen straatstenen eronder. Ik weet het zo goed omdat de hele oude meneer Van der Laan juist een ommetje deed en me zag vallen. Hij kwam mij later altijd als hij me zag over m'n hoofd strelen. Dat was als een oudtestamentisch ritueel waar ik een beetje bang voor was maar op den duur aan gewend raakte.
Onze huisdokter kwam meteen kijken, haalde diep adem en constateerde kundig a) dat ik niet bewusteloos was en b) dat er geen bloed was. Hij bracht me naar binnen en legde me op de zitbank en voelde of er soms botten gebroken waren. Er scheen niets aan mij te mankeren, maar hij besloot me toch "voor de zekerheid" naar het akademisch ziekenhuis te sturen. Daar aangekomen verloor ik mijn bewustzijn. Er werd een schedelbasisfractuur geconstateerd en de doktoren gaven mijn ouders weinig hoop dat ik het zou overleven. Toen ik na een paar dagen toch uit de coma geraakte stond men er verbaasd van, maar vreesde vervolgens blijvend hersenletsel...
Op vijfjarige leeftijd trok het avontuur alweer toen ik bij m'n lieve oma logeerde in Bloemendaal. Op de Bloemendaalseweg groeiden reuzen kastanjebomen en hoorde je 's morgens de duifjes zingen...nee, die zingen niet, wat is nu het juiste woord...ik ben al twintig jaar in het buitenland...
De trein reed er voortdurend langs en dat was heel interessant om te zien. Vooral ook als de Opperste Spoorwegchef met z'n mooie rode pet z'n hokje uit kwam en de spoorbomen met een zwengel naar beneden draaide. Met dat gewichtige werk mocht ik hem wel eens een keer helpen, had hij gezegd.
Dat was ik dus van plan op een zondagavond 's avonds kwart voor zeven. Ik stak de weg over en de auto die over me heen reed hield helemaal geen rekening met mij...Een paar minuten later gingen mijn ouders naar de kerk. Toen ze de deur uit stapten en een menigte mensen midden op de drukke straat zagen wisten ze meteen dat het om mij ging. Dit maal had ik toch wel een goede plaats uitgekozen, want het gebeurde allemaal vóór het Marine Hospitaal. Ik kwam dus meteen onder handen van bekwame doktoren en onze huisdokter kon het ditmaal ook niet erger maken. Ik herinner me van dit ongeluk nog heel veel. De brancard, de verpleger, de lift, de operatietafel, de groep dokters om me heen. Ze knipten eerst m'n kleren stuk om heel voorzichtig te kunnen kijken. Daarna kreeg ik een hevige epileptieaanval. Ik had een hersenschudding, wonden aan m'n hoofd die tot de dag van vandaag zichtbaar zijn en een gebroken been. Een week of twee bracht ik in het Marine Hospitaal door. Het ergste was dat je er verplicht moest gaan slapen 's middags van twee tot vier. En dan was er 's avonds een prik met een dikke naald in je bil of dijbeen. Dat was ook niet leuk, want daar moest je dus de hele dag op wachten en al maar bang voor zijn.
Het was wel vreemd om te plassen in een fles, maar ja, het moest wel. Naast me lag een zoontje van een miljonair die van z'n paard gevallen was. Hij kreeg elke dag de mooiste geschenken. Toen hij naar huis mocht en ik alleen bleef huilde ik erg, maar de zusters kwamen allemaal om me heen staan en beloofden heel goed voor me te zorgen. Ik werd ook uitgenodigd om bij dat miljonairszoontje later op bezoek te komen om daar te komen paardrijden, maar daar is nooit wat van gekomen. Wie weet neemt hij nu via internet nog eens contact met me op.
Ik kreeg ook elke dag een presentje. Ook de man die me aanreed kwam kijken en gaf me een chocoladereep. Ik ben dus niet boos op hem.
Op één avond ging de deur plotseling met geweld open en kwam er een jonge man binnenlopen die van boven tot onder in de zwachtels en het gips verpakt was. Hij brulde en huilde en riep met een meewarige stem "Waar is m'n moeder toch, waar is m'n moeder! Zeg waar m'n moeder is!" Ik schrok me bijna weer een ongeluk maar gelukkig kwam er een verpleger die dit wandelende spook meteen weer op z'n eigen plaats bracht. Hij kwam me later uitleggen dat het ging om een jonge man die betrokken was bij een motorfietsongeluk.
Dat gipsbeen zat me nog weken dwars. Eén maal deed een Groningse dokter er weer eens nieuw gips op. Hij knipte eerst het oude gips eraf, maar het lukte niet erg. Toen nam hij z'n motorzaag. Dat ging een tijdje prima totdat hij -bijna klaar- bovenaan in m'n dijbeen per ongeluk in de huid van mijn been zaagde. Ik gilde van de pijn en de jonge dokter liep net zo rood aan als mijn been. Hij vergat zelfs mij een reep chocolade aan te bieden.
Drie jaar lang moest ik regelmatig naar het ziekenhuis voor EEG onderzoeken. Ze lijmden enge elektroden in m'n haren. Ik moest een tijd liggen op een bed en m'n ogen dicht doen. De apparatuur boven m'n hoofd gaven allerlei mooie lichten en kleuren. Dat was wel interessant. Ik wist het toen nog niet, maar het was een beetje als het noorderlicht van Finland. Ze gaven me ook jarenlang een kalmerend middel, Luminal.
Ik herinner me goed de dag dat het gips er voorgoed af ging. Mijn been zag eruit als een luciferhoutje. Er werd me gezegd dat het op den duur wel weer normaal wordt. Toen ik thuis kwam liet ik het zien aan Yde en Briget. Ze schrokken verschrikkelijk, maar ik voelde me al trots omdat ik wist dat je er niet bang voor hoeft te zijn. Ik had alle verschrikkingen moedig doorstaan.
Nu ik aan dit begin van mijn leven denk is het alsof ik over iemand anders schrijf.
Vlak voor mijn trouwdag schreef mijn moeder aan enkele oud klasgenoten of ze zich iets over mij konden herinneren. Wim Beens en Hilbrand Harms schreven hetvolgende:
In de klas liet hij vaak op opmerkelijke wijze weten van zijn bestaan. Bijvoorbeeld tijdens de zog. Pennenslag. De "Pennenslag" betekende dat je elkaar onverwacht met een pen om de oren kon slaan, natuurlijk wanneer de leraar naar het bord gekeerd stond. Alleen pennen waren toegestaan als wapen. Het duurde niet lang voordat Albert met een pen van een lengte van 30 cm en een doorsnede van 2,5 cm naar school kwam. Het was een dodelijk wapen waar menigeen de uitwerking van voelde.
Albert aanbad ook heel verlegen een meisje. Om iets tastbaars van haar te verkrijgen zette hij zich eens tijdens de geschiedenisles neer achter het subjekt van verering en knipte zonder zich te storen aan mogelijke estetische gevolgen en zonder dat het meisje daar erg in had een lok van haar mooie haar en plakte die in zijn agenda.
Hij was een opvallende verschijning, die Albert. Achteraf gezien een typische avant gardist. Hij was in de klas namelijk de eerste met lang haar, de eerste met een vuurrode of paarse broek enz.
Albert en de muziek. Ja, daar kunnen we wel heel lang over schrijven. Hij had in de schooltijd kasten vol met de Beatles, maar ook een hoop andere muziek.
Op school deed hij altijd zijn best om goede cijfers te halen. Daarvoor moest hij vaak zijn toevlucht nemen tot dubieus gedrag. Zijn geweten scheen er niet om te lijden. We stonden er allemaal versteld van toen de leraar Frans tijdens een proefwerk opmerkte dat Albert zijn leerboek open voor zich had liggen maar het geloofde toen Albert met z'n sterretjesogen de leraar ervan overtuigde dat hij er echt niet in keek.
Albert was in de beste stemming tijdens de schoolreisjes. We herinneren ons een voorval tijdens het schoolreisje naar Schiermonnikoog. We maakten een hele lange natuurwandeling onder leiding van een bekwame bioloog, die ons voortdurend wees op vogeleieren en ander natuurschoon. Hij vond het bijzonder fijn dat wij, jongelui uit de grote stad en zo vervreemd van de natuur, ook eens iets van de natuur konden proeven. Ver achter ons liep de hele tijd een eenzame man dezelfde route als wij. Albert, die ons er al op opmerkzaam had gemaakt, vroeg de bioloog schijnbaar in alle ernst: "Die man daar achter ons haalt alle eieren weer op; maar waar is de man die die eieren er voor ons zo mooi neerlegt?"
Op een middag stapte ik de woonkamer binnen en zag de piano staan waar ik al drie jaar lang niet meer op gespeeld had. Ik zette me neer op de pianokruk. Waarom weet ik niet. Ik snuffelde de stapel muziekboeken door. Nadat mijn oma gestorven was kwamen alle oude muziekboeken van mijn overleden oom Marcus bij ons en nu zag ik de stapel voor het eerst. Leuk al die oude uitgaven. Van alles zat erbij. Oude meesters, muziekschriften en ook dansmuziek uit de jaren dertig. Opeens waren mijn ogen gericht op een titelblad met het fiere gezicht van Beethoven. Hij zag eruit als een woeste Rock-held, maar in plaats van een elektrische gitaar had hij een pen in z'n hand een een bladzijde muzieknoten. Op het titelblad stonden de grote letters: Sonata Pathétique. Ik probeerde het meteen te spelen. Een hoop verlagingstekens. Het voelde alsof ik alles wat ik vroeger geleerd had helemaal vergeten was, maar ik zou en moest het leren spelen. Vanaf de eerste noot begreep ik dat dit Kunst is met een hele grote hoofdletter.
Beethoven klonk machtig. In de volgende weken maakte ik ook kennis met Händel en Chopin. In de grote stapel muziek was van alles te vinden, maar de foxtrots en walsen schoof ik meteen opzij.
Ik wilde vanaf die dag dagelijks KUNST spelen. Ik deed weken, maandenlang erg m'n best op de pathetische sonate. Het tweede deel was zo mooi als ik nog nooit gehoord had. Nog meer verlagingstekens...
In het centrum van Utrecht was een grote muziekbibliotheek. Daar kwam ik regelmatig pop muziek halen. Op dat moment verdiepte ik me in Pink Floyd. Eén keer liep ik de bibliotheek in en hoorde voor het eerst eens andere achtergrondmuziek dan popmuziek. De muziek deed me versteld stil staan en greep me aan. Ik luisterde er lang naar en wist dat dit de mooiste muziek was die ik ooit gehoord had, het mooiste wat ik me zou kunnen voorstellen. Begeleid door een onopvallend orkest klonk op de voorgrond een zachte piano met melodiën zo teer en ontroerend dat je er tranen van kreeg.
Ik luisterde tot het eind en ging meteen daarna naar de bibliothecaris en vroeg hem wat die muziek was die net opstond. Hij nam de plaat, deed hem in de hoes en gaf hem mij. "Alsjeblieft, Chopin geloof ik". De pianoconcerten van Chopin...vanaf die dag wist ik dat Chopin net is als ik, of beter gezegd, dat ik het karakter van Chopin heb. Hij is mijn liefste vriend.
Thuis gekomen probeerde ik alle muzieknoten van Chopin te vinden. Op m'n 18e verjaardag kreeg ik van een schoolvriendin Joke een gipskopje van Chopin en nooit was ik meer in m'n schik met een cadeautje dan toen. En toen ik 19 was en met twee schoolvrienden in Parijs rondliep moest ik tot hun schrik per sé naar de begraafplaats "Père-Lachaise". Ik had gelezen dat Chopin daar begraven was. Ik sleurde m'n vrienden mee en ja, die begraafplaats is best heel bijzonder. Allerlei grootheden liggen er met de mooist denkbare grafstenen. Het graf van Chopin was het enige waarop verse bloemen lagen. Ik schaamde me dat ik geen bloemen mee had genomen. Ik bleef een tijd in gedachten staan. Altijd weer had ik gestaard naar die enige foto die ooit van Chopin genomen is, vlak voor z'n dood. Altijd weer raakte ik daar zo van versteld. Die onmeetbare droefheid in zijn gelaat, zo'n pijn...en toch die muziek zo zacht, zo mooi. Omdat ik me zo vereenzelvigde met Chopin en de datums van zijn leven las kreeg ik een vreemde gedachte. Zou ik ook maar 39 jaar leven? Waarom zo jong gestorven? Het was niet alleen de tuberculose. Dat voelde ik heel sterk.
Toen ik eindexamen deed kreeg ik honderd gulden van m'n moeder. Dezelfde dag nog ging ik naar de platenwinkel en kocht daarvoor een album met 14 platen, het gehele oeuvre van Chopin.
Beethoven probeerde de hele tijd net zo'n grote plaats te krijgen in mijn hart en dat gunde ik hem best. Dagelijks speelde ik zijn sonates. Hij opereerde echter in een totaal andere klasse als Chopin. Beethoven was de grootste en de machtigste. Maar Chopin was de tederste, de liefste, de gevoeligste.
Bach en Mozart kwamen pas veel later in mijn leven. Zij behoren niet tot een onstuimige tienertijd maar meer tot een leeftijd waarop men liever naar objektiviteit zoekt en onaardse volmaaktheid.
De enige die later nog meer invloed op me had dan Chopin en waarmee ik me nog meer vereenzelvigd heb, is Gustav Mahler. Hij is de "verpersoonlijkte tegenstrijdigheid", een man van zowel de grootste innerlijke wilskracht als de grootste innerlijke chaos. Banaliteit en hemelse schoonheid gaan bij hem hand in hand. Eén van de eerste moderne mensen dus.
Mijn Italiaanse vriend Jonathan werd depressief en somber wanneer hij de glorieuze geschiedenis van zijn vaderland overdacht en het vergeleek met de bedroevende stand van zaken in het tegenwoordige Italië. Hij mijmerde: er zijn nu alleen nog ruïnes en het wordt aangevuld met chaos, criminaliteit en armoede. In Engeland heerste ook zo'n gevoel.
Eenmaal liet ik hem kennis maken met Finse muziek, een begrip in de wereld van vandaag. Na even na te denken dacht ik maar te beginnen met Sibelius, en dan natuurlijk met een bekend en gemakkelijk toegankelijk werk: Finlandia. Dit was ook het allereerste Finse cultuurgoed waar ik kennis mee maakte in de tienertijd, in de Utrechtse concertzaal, als opwarmertje. Ik herinner me nog sterk wat een geweldige invloed dat stukje muziek op me maakte. Het was buitengewoon statig, plechtig en ernstig, en dan op het eind, na alle stormen en uitbarstingen, zo eindeloos volmaakt en verheven.
Ik zette de plaat op en Jonathan beluisterde de eerste donkere klanken die opwelden uit een eindeloze diepe zwarte nacht. Na een halve minuut zei hij: hou maar op, dit is zo zwaarmoedig, daar kan ik absoluut niet tegen. Hij vroeg me van alles over Finland en had er zeer grote twijfels over dat ik het daar uit zo kunnen houden, dat daar überhaupt ook maar iemand gelukkig zou kunnen zijn.
Vanaf die tijd heb ik altijd aan die vreesopwekkende woorden van hem gedacht en mijn gedachten erover laten gaan. Ik dacht altijd dat ik in Finland kan wonen en het daar uit zal kunnen houden omdat ik altijd wist dat ik de muziek van Sibelius begrijp en het me geweldig aangrijpt en het mooi vind. In die tijd hield ik het meest van de derde sinfonie, later werd het de vierde. Ik voel sterk hoe de muziek welhaast meer dan enige andere klassieke muziek zo sterk verbonden is aan het land Finland en ik houd van allebei, hoewel de adjektieven om ze te beschrijven altijd van dezelfde soort zijn: bar, droefgeestig, eenzaam, donker, plechtstatig, getuigend van de oernatuur.
Ik hoor er nooit depressiviteit in, of misschien af en toe wel, maar hoor er altijd meer diepzinnigheid in, de bereidwillendheid om de diepste zaken van het leven onder ogen te durven zien en ermee te worstelen net zo lang als het maar nodig is voor een mens om alles te kunnen aanvaarden en er niet meer bang voor hoeven te zijn. Het is het verhaal van het heldhaftig standhouden van de mens in het leven onder welke barre omstandigheden dan ook. De Finnen noemen dat "SISU".
Ik wil m'n leven niet doorbrengen met het spelen van Trivial Pursuit, maar wil leren wat SISU betekent. Ik heb een scandinavische geest, in de oude betekenis, die je tegenwoordig alleen nog maar in Finland tegenkomt, niet meer in Zweden. Net zoals Sibelius zou ik ook alleen naar Italië gaan om er even uit te gaan en wat meer zon te zien. Maar Vivaldi en de Italiaanse opera's, nee, ze raken me nooit echt diep, hoewel ik m'n best deed ze tegen Jonathan flink te prijzen om hem wat op te fleuren.
Ik las m'n dagboek uit de begintijd hier in Finland en het zweet breekt me uit. Ik voel opeens opnieuw dat beklemmende gevoel net als in die tijd; jaren van traumatische gebeurtenissen die ik liever verdring. Die tijd is vol tranen en doet m'n handen beven. Ik zie me weer zitten in de keuken. Ik leer wanhopig eerst drie bladzijden engelse woorden, dan de finse, dan de grammatica, dan de oefeningen...Ik kijk uit het raam, ik zie niets anders dan stilte en eenzaamheid, taaie zwarte dennen bedolven onder een enorme witte vracht sneeuw en ijs...ik maak het eten klaar, dan weer studeren. Ik kan niet meer; wat leuks zou ik kunnen doen? Soms schrijf ik naar huis. Alle familie, vrienden en kennissen wonen eindeloos ver weg. Niemand kan zich voorstellen wat ik hier doormaak...Ik ga boodschappen doen in de dorpswinkel. Iedereen kijkt stil naar mij. Het meisje achter de kassa spreekt me toe in het zweeds. Daar begrijp ik nog minder van dan van het fins. Ik ga skiën. Eindelijk, sinds drie maanden schijnt de zon eens. Ik durf eigenlijk niet meer op de skiebaan te skiën. Sommige hellingen gaan zo stijl naar beneden dat ik altijd val. Een keer stonden de kleine kindertjes er naar te kijken. Wat een lol hadden ze. Zo'n grote vent, kan niet eens skiën. Ik ga de velden door. Overal is het doodsstil. Alles is dood. Woon en leef ik hier echt? Is het echt waar? Ben alleen ik nog over in de wereld? Ik vind m'n eigen heuvel. Daal er net zolang van af totdat ik niet meer val.
In de kerstvakantie was het leuk weer grapjes te maken met m'n broer die op visite kwam. Het was best leuk de gasten uit het buitenland het exotische leven van de Finse winter even te laten proeven. Op kerstmorgen liepen we 5 kilometer naar de kerk. Ik huilde stil toen ik opmerkte dat zelfs de kerstdienst net zo levensloos en droefgeestig is als het kerkleven in het algemeen hier. Toen m'n familie vertrok, vertrok voor mij ook het laatste restje exotiek. Het was allemaal harde werkelijkheid nu. Dorpsvergadering. M'n vrouw ging er alleen heen. Ik zou er toch niets van verstaan. Een doordeweekse bijeenkomst van gelovigen: rondom een enorm lange tafel zitten heel stijf een klein aantal mensen, wij en een andere familie. Een vader en moeder met drie volwassen dochters. Ze hebben hun mannen meegesleurd zodat het wat op een groep lijkt. Heel ernstig en verlegen praat iemand zo langzaam dat ik het bijna kan verstaan. Hij praat nederig tegen de vloer en durft niemand aan te kijken. Een van de dochters begeleidt op een hartverscheurende manier de droevige "begravenis" liederen. Ik voel me reuze opgelucht als we naar huis mogen.
Tussen ons rijtjeshuis en het donkere bos zitten een stel mannen om een vuurtje vodka te drinken. Ze vragen of ik ook wil. Ik schud verlegen m'n hoofd maar volg ze nog een tijdje. Wat zijn het een stoere knapen. Zo groot en ruig. Ze schreeuwen halfdronken zo, dat je ze op een kilometer afstand nog kan verstaan, als je fins kan natuurlijk. Ik weet niet waar ze het over hebben, maar elk tweede woord is een stevige vloek. Ze kammen hun haar nooit. Je ziet ze nooit met hun vrouw. Ik heb onze buurvrouw nog nooit gezien. Ze woont wel naast ons, want elke dag wanneer haar man het bos ingaat om bomen te kappen luistert ze naar sentimentele finse liedjes die ze keihard aanzet.
Ik ben een vreemde vogel van een andere planeet. Ik begrijp niet wat er leuk is aan drinken. Wat doe ik hier in vredesnaam?
Een keer komt de post aan met de gecorrigeerde lessen van m'n correspondentiecursus engels. De nederlandse leraar schreef in de alinea: "Waar woon jij eigenlijk? 't Is niet te vinden op de kaart. Maar ik neem aan dat je er wel geweldig mooi kan vissen." Ik kijk weer naar buiten. Ik zie onmetelijke bergen sneeuw en ijs. Ik krijg tranen in m'n ogen. Zou leuk vissen m'n leven misschien kunnen redden? Ja, Ossi heeft me een keer gevraagd mee te gaan...Maar ik zie me al zitten op het ijs. Een gat boren, da's nog leuk, maar daarna zit je de hele dag te verkleumen op het meer waar de koude wind nooit aflaat te waaien; je staart maar naar dat gaatje. En Ossi kan als een echte Fin niet meer dan 100 woorden per dag uit z'n mond krijgen, en dat nog alleen als hij in een goede bui is...De hele dag zou ik maar op de avond moeten wachten.
De leraar Juha was in het begin de enige die aandacht aan me gaf en zowaar wat wilde praten met mij en me zelfs af en toe wat vroeg. Op een keer stelde hij voor dat we eens op uilentocht zouden gaan. "Wat is dat nou weer", vroeg ik verbaasd. Hij legde me uit dat we moeten wachten tot het volle maan is. Dan gaan we midden in de nacht het bos in. Daar zitten we dan, ja soms uren...maar dan opeens (hij glunderde) ...zie je een uil!
"Ahaa!", zei ik met precies de juiste finse intonatie waar ik lang op gestudeerd had. Tegelijkertijd keek ik hem met enorme uilenogen aan en bad ik vurig dat hij spoedig zou vergeten dit aan mij voorgesteld te hebben.
Groot was mijn verbazing toen ik een keer een brief uit Moskou toegestuurd kreeg. Er werd van me gevraagd of ik een abonnement op Rode Ster en De Rode Waarheid zou willen nemen. Er waren ook nog andere net zulke goede tijdschriften van precies dezelfde mooie kleur. Hoe wisten ze in Moskou van mijn bestaan hier?
En dan kwam er op een dag ook nog een mooie envelop uit Holland. Omdat m'n broers al in dienst waren geweest hoefde ik niet het leger in. Maar ik werd opgeroepen om mee te doen aan een oefening in het blussen van een brandje. Natuurlijk schreef ik beleefd terug dat ik zeergraag m'n burgerplicht vervul en geweldig uitzie naar deze gebeurtenis, als de Nederlandse staat maar reisvergoeding betaalt. Sindsdien heb ik nooit meer van de nederlandse overheid gehoord.
Maar goed, het was nu duidelijk: ik was niet alleen op de wereld, overal was ik bekend.
De hele tijd wachtte ik met beklemmende spanning op het einde van de zomer, de tijd dat ik m'n best zou moeten doen een baan te vinden in dit vreemde nieuwe land waar ik nu woonde. Ik had van te voren al besloten om alles wat me maar aangeboden zou krijgen te accepteren. In het arbeidsbureau moest ik een formulier invullen wat me natuurlijk niet lukte zonder de hulp van m'n vrouw. Ik begreep meteen dat op deze officiële manier een buitenlander nooit werk krijgt, helemaal niet als hij ook nog theoloog is en leraar engels, maar niet de kunst van het fins machtig is.
Dit was een moeilijke tijd om positief te blijven en je gevoel voor zelfwaardering te behouden, maar ik deed m'n uiterste best niet in paniek te geraken en rustig te blijven. Alles komt wel voor elkaar...blijf geloven in het leven...je redt het wel, Ab...In geen geval zou ik mogen toegeven aan gevoelens van wanhoop en opstand. Mijn vrouw was in verwachting van ons eerste kind...
Ik maakte elke dag een fietstocht langs alle mogelijke werkplaatsen en fabriekjes, industrieterreinen en bureaus. Al fietsend oefende ik nerveus de juiste finse woorden om naar werk te vragen. En hoe zou ik het oplossen als ik niet begreep wat ze me antwoordden? Ik moest het nu helemaal alleen zien te klaren. Ik kon er ook helemaal niet meer tegen als een schoothondje aan de wereld getoond te laten worden: "Kijk eens wat een mooie jongen, en zo aardig en lief, en zo gevoelig en hij doet àlles. Hij kan alleen nog geen fins, maar daar doet hij erg zijn best op; neemt u hem alstublieft aan..."
Ik zou iets moeten vinden waar je de taal niet zo bij nodig hebt. Na een paar pogingen was ik er al van overtuigd dat alle werkgevers via een geheimzinnige samenzwering afspraken gemaakt hadden of tenminste allemaal dezelfde scholing hadden gevolgd waar ze geleerd hadden hoe je op een elegante manier van lastige buitenlanders af kan komen door ze met een hele lange uit het hoofd geleerde zin te woord te staan. Die zin begon zonder uitzondering met de woorden "tot mijn spijt" en vervolgde met een verhaal over "de economische malaise die ons op het moment niet toestaat..." . Tenslotte raakte ik de draad kwijt, maar dat deed er toch niet toe. Meestal als ik weer zo'n negatief antwoord kreeg was ik er heel blij om, omdat de werkplaats er smerig uit zag en het werk er ook niet aantrekkelijk leek.
Ik probeerde er de moed in te houden en me voor te houden dat er uiteindelijk toch wel iets geschiks voor me zou zijn. Op de eerste septemberdag reed ik weer rond in het stadje Loviisa en zag ik op de deur van een klein bontfabriekje genaamd Grünstein: "Naaister gevraagd". Hier moest ik wel even om lachen. Moet het echt? Als ik naar binnen zou gaan zou ik zoiets als het toppunt van nederigheid bereikt hebben. Kan ik nu echt "alles wat me maar aangeboden zou krijgen" accepteren? Ik ging naar binnen en zei tegen de chef lachend: "Hier ben ik, maar is het echt een vereiste om een vrouw te zijn?" De vrouwelijke werkgeefster was een praatmachine en hield niet op met allerlei verhalen waar ik niets van snapte. Maar blijkbaar was dat een goed teken, want ze wilde dus niet meteen van me af. Op een gegeven moment had ze het over "bontnieterswerk" en haalde even adem. Op dat moment greep ik m'n kans en zei: "OK, wanneer kan ik beginnen?"
Terug naar begin | bestellen van CD's
|